http://www.dreamstime.com/royalty-free-stock-images-conflict-family-image28530489

 

 

Op deze pagina vindt u meer informatie over het ouderlijk gezag. Naast de verblijfs- en kostenregeling is de gezagsregeling één van de thema’s waarover apartwonende ouders afspraken kunnen maken om zo hun ouderschap te regelen.

Het ouderlijk gezag bestaat uit ouderlijke plichten en rechten. Het ouderlijk gezag geldt tot het kind meerderjarig (= 18 jaar) is. Het ouderlijk gezag geldt dus voor een minderjarig, ongehuwd en niet ontvoogd kind.

 

 

 

 

 

Alle ouders hebben bepaalde rechten en plichten, namelijk

  • Beide ouders hebben het recht om hun kind persoonlijk te ontmoeten. Volgens het internationaal kinderrechtenverdrag heeft elk kind ook het recht op regelmatig rechtstreeks contact met beide ouders.
  • Beide ouders hebben het recht om dagelijkse beslissingen te nemen.
  • Beide ouders hebben het recht en de plicht om dagelijkse zorgen toe te dienen.
  • Beide ouders hebben recht op alle informatie over hun kind.
  • Beide ouders hebben het recht om, samen met de andere ouder, voor de goederen van het kind beschikkingsdaden te stellen. Bijvoorbeeld een huis dat door erfenis eigendom is van het kind, mag slechts verkocht worden op voorwaarde dat beide ouders daarvoor hun toestemming geven. Voor sommige goederen is ook de toestemming (machtiging) van een rechter nodig, bijvoorbeeld voor de verkoop van een onroerend goed dat eigendom is van het kind.
  • Beide ouders hebben het recht en de plicht om toezicht op het kind te houden. Zij zijn beiden aansprakelijk voor de schulden die hun gezamenlijk minderjarig kind vóór, tijdens en na de scheiding maakt. Beide ouders moeten de schadevergoeding en eventuele boetes betalen ten gevolge van diefstal, vandalisme of een ongeluk, veroorzaakt door hun kind. Vanaf 18 jaar is het kind zelf verantwoordelijk.
  • Beide ouders hebben onderhoudsplicht.

De gezagsregeling bepaalt voor welke ouder bepaalde andere rechten en plichten gelden, namelijk

  • Het recht om belangrijke beslissingen te nemen voor de persoon van het kind, zoals: school, onderwijstype, studierichting, herkansing / filosofische, godsdienstige, ideologische opvoeding, lessen moraal of godsdienst / lidmaatschap van verenigingen / belangrijke medische ingreep (bijvoorbeeld een operatie) / nemen van anticonceptie / aanvraag van een paspoort, een visum / verblijf in het buitenland zonder een ouder / huwelijk van het kind / consultatie therapeut.
  • Het recht om in het belang van het kind belangrijke beslissingen te nemen over het beheer van de goederen van het kind, en de plicht om het bezit van hun kind in stand te houden of te doen opbrengen.
  • Het recht op genot van de goederen van het kind, ter compensatie van opvoedingsplicht. Bijvoorbeeld zonder vergoeding mogen wonen in het huis dat eigendom is van het kind / de huurinkomsten van een huis dat eigendom is van het kind, in eigen belang mogen gebruiken / de intrest van een bankrekening op naam van het kind mogen gebruiken.
  • Het recht of de plicht om het kind in een gerechtelijke procedure te vertegenwoordigen. Bijvoorbeeld vertegenwoordigingsbevoegdheid wanneer het kind voor een rechtbank wordt gedagvaard of het recht om het kind administratief te vertegenwoordigen, bijvoorbeeld voor de aanvraag van een identiteitskaart, paspoort of visum.
  • Het recht om het officiële adres van het kind te bepalen.
  • Het recht om de verblijfsregeling voor het kind te bepalen.

Soorten regelingen

Apart wonende ouders hebben drie mogelijkheden m.b.t. ouderlijk gezag, namelijk

  • gezamenlijk ouderlijk gezag (= gezagsco-ouderschap)
  • eenzijdige uitoefening van het ouderlijk gezag door één ouder (= exclusief ouderlijk gezag)
  • een gezagsregeling op maat

Sinds de wet van 13 april 1995 spreken we niet meer van bezoekrecht en hoederecht. Deze wet bepaalt dat ouders na de relatiebreuk gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen ten aanzien van hun kind (= gezagsco-ouderschap).

De wet bepaalt dat ouders – die samenwonen, apart wonen, gehuwd zijn, gescheiden zijn of nooit gehuwd waren – gezagsco-ouderschap hebben, behalve in twee gevallen:

  • Een rechter heeft in een vonnis beslist dat een andere gezagsregeling geldt.
  • De ouders hebben, via onderhandelingen, een andere gezagsregeling beslist en een rechter heeft die overeenkomst bekrachtigd.

De rechter moet bij voorkeur voor gezagsco-ouderschap kiezen. Wanneer de rechter een andere gezagsregeling kiest, moet hij motiveren waarom gezagsco-ouderschap voor deze ouders tegen het belang van hun kind is. De ouder die een afwijking van de wettelijke voorkeur wil, moet de rechter van twee zaken overtuigen. Ten eerste: bijzondere omstandigheden maken dat gezagsco-ouderschap tegen het belang van ons kind ingaat. Ten tweede: het is in het belang van ons kind dat ik, en niet de andere ouder, het ouderlijk gezag eenzijdig uitoefen.

Hoewel gezagsco-ouderschap de wettelijke voorkeursregeling is, mogen ouders ook een andere gezagsregeling kiezen.

Ouders kunnen ook afspreken dat de gezagsregeling na de scheiding in bepaalde omstandigheden zal veranderen. Bijvoorbeeld: nu eenzijdig gezag uitgeoefend door ouder B. Gezagsco-ouderschap vanaf een bepaalde leeftijd van het kind

De afgesproken gezagsregeling stopt automatisch als het kind 18 jaar is of huwt of ontvoogd wordt.

Als een ouder sterft, dan oefent de andere ouder automatisch het ouderlijk gezag uit, en dit staat los van de gezagsregeling die van toepassing was toen beide ouders nog leefden.

Een ouder die ouderlijk gezag uitoefent, mag belangrijke beslissingen voor het kind nemen. Er is dus een verschil tussen dagelijkse en belangrijke beslissingen. Dagelijkse, verblijfsgebonden beslissingen mogen genomen worden door de ouder bij wie het kind op dat moment verblijft. Belangrijke, verblijfsoverstijgende beslissingen mogen genomen worden door een ouder die het ouderlijk gezag uitoefent. Ouders kunnen concreet afspreken welke de dagelijkse en welke de belangrijke beslissingen zijn. Bijvoorbeeld: Is het bedrag van zakgeld een dagelijkse beslissing die elke ouder apart neemt of is dat een belangrijke beslissing die jullie eventueel samen nemen? Ouders kunnen kiezen wie de belangrijke beslissingen zal nemen: ofwel samen ofwel één ouder ofwel op maat.

GEZAMENLIJK OUDERLIJK GEZAG

Kiezen ouders voor gezagsco-ouderschap dan betekent dit dat alle rechten voor beide ouders gelden. Beide ouders hebben het recht om het kind bij zich te hebben. Beide ouders hebben het recht om alle belangrijke beslissingen te nemen voor de persoon en de goederen van het kind.

Kiezen ouders voor gezagsco-ouderschap dan betekent dit dat de ouders moeten overleggen en alle belangrijke beslissingen samen nemen. Een ouder mag geen enkele belangrijke beslissing nemen zonder overleg met de andere ouder. De ouders moeten niet alle belangrijke beslissingen die zij samen genomen hebben, ook altijd samen uitvoeren (bijvoorbeeld samen school gekozen, maar één ouder gaat het kind inschrijven).

Als ouders het niet eens zijn met elkaar, kunnen zij ofwel de hulp inschakelen van een bemiddelaar in familiezaken om alsnog tot een akkoord te komen, danwel aan de rechter vragen om een beslissing te nemen. Bijvoorbeeld: ouder A heeft alleen een belangrijke beslissing genomen en uitgevoerd. Ouder B gaat niet akkoord. Ouder B kan aan de rechter vragen om de beslissing van ouder A ongeldig te maken. Ouder B moet aantonen dat de beslissing van ouder A tegen het belang van het kind ingaat.

Een buitenstaander (bijvoorbeeld de schooldirecteur, huisarts, gemeenteambtenaar, bankdirecteur, …) moet bij gezagsco-ouderschap aanvaarden dat één ouder een belangrijke beslissing uitvoert. Vermoedt de buitenstaander dat de ouders overlegd hebben en samen een belangrijke beslissing namen, dan moet de buitenstaander deze beslissing, ook op verzoek van één ouder, uitvoeren. Bij vermoeden van instemming volstaat met andere woorden de handtekening van één ouder. De buitenstaander heeft geen reden om te veronderstellen dat de andere ouder niet akkoord zou gaan.

Wanneer de buitenstaander twijfelt, of weet of vermoedt dat de ouders een conflict hebben over een belangrijke beslissing, of weet of vermoedt dat één ouder niet akkoord gaat met de beslissing, dan mag de buitenstaander deze beslissing slechts uitvoeren op verzoek van beide ouders. Bij twijfel aan instemming zijn met andere woorden de handtekeningen van beide ouders nodig. Zo moet de schooldirecteur dan voor de inschrijving van het kind, de handtekening van beide ouders vragen. Zo moet de bankdirecteur voor de afhaling van een grote som geld van de bankrekening van het kind, de handtekening van beide ouders vragen.

Als ouders een slepend meningsverschil hebben (met betrekking tot de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes) dat uitloopt in een conflict dat ouders niet meer in onderling overleg kunnen oplossen, dan kan ouder A of ouder B aan de rechter vragen om een beslissing te nemen over dat conflictonderwerp of kunnen ouders met de hulp van een bemiddelaar in familiezaken trachten een oplossing te vinden voor hun meningsverschil.

De gezagsregeling staat los van verblijfsregeling en de kostenregeling.

EXCLUSIEF OUDERLIJK GEZAG DOOR OUDER A

Bij deze vorm van ouderlijk gezag mag ouder A alle belangrijke beslissingen nemen voor de persoon en het beheer van de goederen van het kind. Ouder A heeft de plicht de goederen in het belang van het kind te beheren. A beheert alle rekeningen op naam van het kind, eventueel ook een rekening die door B op naam van het kind werd geopend. Ouder A heeft het recht op genot van de goederen van het kind.

Ouder A moet voor belangrijke beschikkingsdaden betreffende de goederen van het kind (bijvoorbeeld verkoop van een huis waarvan het kind eigenaar is) de toestemming vragen aan ouder B en aan een rechter.

Ouder A heeft het recht om het kind bij zich te hebben. Ouder A heeft het recht om in het belang van het kind te bepalen hoe vaak het kind en ouder B met elkaar mogen corresponderen, mailen, telefoneren.

In principe kan het kind officieel bij A of B wonen. In de praktijk is het officiële adres van het kind altijd bij A. Wanneer A (eventueel naar het buitenland) verhuist, verhuist het kind samen met A. A kan de verblijfsregeling van het kind niet alleen bepalen. Het is aan B en A samen, of aan een rechter om de manier te bepalen waarop B zijn recht op persoonlijk contact uitoefent.

Bij exclusief ouderlijk gezag door ouder A heeft ouder B recht op persoonlijk contact (=  omgangsrecht). Dit is een recht, geen plicht. B is wettelijk niet strafbaar als hij/zij het kind in de praktijk niet of onregelmatig ontmoet.

Ouder B behoudt financiële plichten (onderhoudsplicht). Ouder B behoudt het recht om samen met ouder A beschikkingsdaden te stellen betreffende de goederen van het kind. Ouder  B mag geen belangrijke beslissingen nemen voor de persoon en het beheer van de goederen van het kind. Ouder B heeft geen recht op genot van de goederen van het kind. Ouder B verliest zijn vertegenwoordigheidsbevoegdheid.

Ouder B behoudt het recht om op de momenten dat het kind bij hem / haar verblijft, dagelijkse zorgen toe te dienen en dagelijkse beslissingen te nemen.

Ouder B heeft recht op alle informatie aangaande zijn minderjarig kind. De school en de dokter moeten op eenvoudig verzoek alle informatie aan beide ouders doorgeven. B heeft het recht om alle informatie in te winnen over de belangrijke beslissingen van A. Een buitenstaander is verplicht om B, op eenvoudig verzoek, alle informatie door te geven aangaande de beslissingen die A voor de persoon en het beheer van de goederen van het kind nam. De schooldirecteur is verplicht om B te informeren over de schoolresultaten (eventueel in een tweede schoolrapport), de oudercontacten en de studiebegeleiding. De bank is verplicht om B te informeren over de stand van de bankrekeningen en de verrichtingen op naam van het kind.

Ouder B heeft het recht op toezicht op de belangrijke beslissingen die ouder A neemt voor de persoon en de goederen van het kind.

Ouder B heeft het recht aan de rechter te vragen een belangrijke beslissing van ouder A ongeldig te maken. Ouder B moet aantonen dat deze beslissing tegen het belang van het kind ingaat.

Als ouder A overlijdt, dan oefent ouder B het ouderlijk gezag volledig en zonder toezicht van een voogd uit. Ook als dit niet de wens was van de overleden ouder. Ook als er geen persoonlijke ontmoetingen meer waren tussen het kind en de andere ouder. Zolang het kind minderjarig is, krijgt B het beheer en het genot van de goederen van het kind. Voor belangrijke beslissingen aangaande het vermogen van het minderjarig kind, moet B wel de toestemming van de rechter krijgen.

Als ouders bij eenzijdige uitoefening van het gezag door ouder B niet afspreken dat ouder A vóór elke belangrijke beslissing ruimte krijgt om zijn bekommernissen te verwoorden, dan kan ouder B een belangrijke beslissing nemen zonder ouder A te informeren. Ouder A moet dan bijvoorbeeld vaststellen dat ouder B zonder uitleg het kind op school heeft ingeschreven. Om misverstanden, conflicten en het afhaken van ouder A te vermijden, kunnen ouders afspreken dat ouder A, voor elke beslissing, de kans krijgt om zijn bekommernissen te verwoorden en dat ouder A zoveel mogelijk informatie van ouder B krijgt. Zo blijft ouder A ook betrokken bij het kind.

EEN GEZAGSREGELING OP MAAT

Dit betekent dat bepaalde beslissingen door beide ouders samen worden genomen en andere beslissingen alleen door ouder A of alleen door ouder B worden genomen.

Enkele voorbeelden:

  • De hoofdregel is gezagsco-ouderschap. De ouders moeten samen belangrijke beslissingen nemen, met als uitzondering de beslissingen over het beheer van de goederen van het kind. Alleen ouder A mag deze beslissingen nemen
  • De hoofdregel is gezagsco-ouderschap. De ouders moeten samen belangrijke beslissingen nemen, met als uitzondering de beslissingen over een bepaalde bankrekening op naam van het kind. Alleen ouder A mag deze beslissingen nemen.
  • De hoofdregel is eenzijdige uitoefening van het ouderlijk gezag door ouder B. Ouder B mag alleen belangrijke beslissingen nemen, met als uitzondering de schoolkeuze. De ouders moeten samen de schoolkeuze beslissen
  • De eenzijdige uitoefening van het ouderlijk gezag is verdeeld over beide ouders. Ouder A neemt alleen alle belangrijke beslissingen over de persoon van het kind. Ouder B neemt alle belangrijke beslissingen over de goederen van het kind
  • Ouder A mag alleen beslissingen nemen over de school. Ouder B mag alleen beslissingen nemen over de goederen. De ouders moeten samen alle andere belangrijke beslissingen nemen. Beide ouders hebben elk recht op de helft van het genot van de goederen van het kind (bijvoorbeeld huurinkomsten van een huis van het kind).